Posts tonen met het label erfgoed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label erfgoed. Alle posts tonen

zaterdag 7 januari 2012

Dat loopt gesmeerd

Kaco bezocht gisteren met Will'm en Ien het Woudagemaal in Lemmer, dat deze week in werking is gesteld om het hoge water in het noorden des lands weg te pompen.
Het Woudagemaal werd geopend in 1920 en staat als laatste werkende stoomgemaal op de Werelderfgoedlijst van de Unesco. Het functioneert als reversegemaal voor Friesland en wordt alleen bij zware regenval in werking gesteld. Wat het Woudagemaal uniek maakt is niet alleen het feit dat het 't grootste nog bestaande stoomgemaal is, maar ook omdat je hier nog techniek en vakmanschap in werking ziet die overal elders in Nederland in uitgestorven.
Zoals de stookketels die er bij staan zoals het hoort: strak in de verf, goed onderhouden en klaar om aan de slag te gaan. Dat hebben we wel eens anders gezien.
Met stoom uit de ketels worden de vier stoommachines aangedreven die het gemaal tot leven brengen: het hele gebouw draait, trilt, rookt, geurt en sputtert. Eén groot mechanisme dat gesmeerd en in onderlinge harmonie functioneert. Voor de smering zorgen overigens deze fraaie messing olieglaasjes.
Ook verder zit het hele gemaal vol met mooie en liefdevolle details, die sinds de laatste vernieuwing in de jaren 50 eigenlijk nauwelijks meer veranderd zijn.
Ook het personeel lijkt rechtstreeks uit vroeger tijden te komen. Hier geen kantoorbeambten en onderwijzers die op hun vrije zaterdag liefhebberen met oude technieken (zoals zo vaak in technische musea), maar vakmensen met een nonchalant gebrachte trots op hun vakmanschap en 'hun' gemaal.
Mensen die er met veel aandacht en duizend en één grote en kleine klusjes voor zorgen dat deze hele stoomkathedraal gesmeerd blijft lopen.
Mensen die bijna 100 jaar oude tradities in ere houden, ook in kleine dingen. Deze schafttafel met koffiepot op de kachel zal er zestig jaar geleden precies hetzelfde uitgezien hebben.
Het zien van deze wat verstilde foto's moet overigens niet de indruk opwekken dat Kaco zowat de enigen waren die het gemaal bezochten. Gelukkig waren we vroeg, want niet veel later stond deze slinger van mensen te dringen voor de ingang van het bezoekerscentrum.
En hoe klinkt zo'n stoomgemaal? Kijk dit filmpje voor een impressie van het werkende gemaal:

zondag 28 augustus 2011

Knekelkerken

Wat mensen doen met hun overleden medeburgers blijft Kaco intrigeren. Het is een bron van verwondering, filosofische gedachten en fotomomenten. Afgelopen jaren hebben we onder meer geblogd over een anatomisch museum, een koninklijke grafkapel en een piramide. Maar het meest intrigerende fenomeen blijft toch wel de knekelkerk, kerken die versierd zijn met menselijke beenderen. Geen wonder dat we dit jaar de beroemdste knekelkerk van Europa wilden bezoeken, het ossuarium van Sedlec te Kutna Hora in Tsjechië.
De knekelkerk van Kutna Hora is 'versierd' met de resten van duizenden gelovigen die in en rond die bedevaartsoord begraven lagen. Rond 1870 leefde de plaatselijke timmerman zich helemaal uit op de botten en maakte er kroonluchters van, kandelaars, wand- en plafondversieringen en zelfs het familiewapen van de eigenaar van de kapel.
Kutna Hora is bizar, maar op een weinig religieuze manier. De kapel is vooral zo beroemd omdat er vrij gefotografeerd mag worden. Net als Kaco waren de meeste bezoekers daardoor meer bezig met lichtinval en camerastandpunten dan met de contemplatie die de kapel behoort op te roepen. Maar eigenlijk is dat ook niet zo erg. Kutna Hora is een 'gelukkige' knekelkerk: alle botten zijn van bedevaartgangers die hier begraven werden omdat ze hier het dichtste bij het Hemelse Koninkrijk zouden komen. De overvolle begraafplaats werd geleegd in de grafkapel en hier liggen de devote doden als het ware mooi gerangschikt in blijmoedige afwachting van de jongste dag.Heel anders was ons bezoek aan een andere knekelkerk, de Kaplica Czaszek in het Poolse stadje Kudowa-Zdrój. Hier was de sfeer veel duisterder. Hier opende een dorpspastor rond 1800 de massagraven van een lange reeks Silezische oorlogen en epidemieën om met de inhoud daarvan een memento mori-kapel te vullen. De dorpstimmerman die hier bezig is geweest was duidelijk minder begaafd dan zijn Tsjechische collega. De kapel is vooral heel vol, met doodshoofden die als de mandflessen van een ouderweste pizzeria tegen het plafond zijn geplakt. Een stevige non vertelde de bezoekers in zalvend Pools over de kapel en zwaaide daarbij demonstratief in de lucht met bijzondere botjes, zoals de schedel van een tartaar, een bot van een reus, een been met een kogelgat en meer van dat soort 'fraais'.
Foto's maken was er echter niet bij, daar werd heel streng op gelet. Vandaar de opgestapelde botjes achter een ruit en een verwijzing naar internet voor het interieur.
Knekelkerken zijn vrij zeldzaam, maar in de katholieke streken van Europa kom je vrijwel overal de relikwieënverering tegen. Soms op een tamelijk bizarre manier, zoals deze mannelijke 'sneeuwwitjes' in hun glazen kisten aan beide kanten van het altaar van de zeer fraaie gotisch-barokke kerk van Sedlec. Gekleed in kostbare stoffen en met maskers op, maar wel op zo'n manier dat de botten er door heen staken. De gelovigen moesten natuurlijk wel goed kunnen zien dat de heiligen echt waren...

maandag 8 augustus 2011

Grube Samson

De eerste stop tijdens Kaco's vakantie dit jaar was een bezoek aan Sankt Andreasberg in de Duitse Harz. Niet vanwege zijn 'heilklimatischer' kwaliteiten of de mooie wandelroutes, maar voor een bezoek aan dit tamelijk onopvallende gebouw. Onder de houten kap bevindt zich de Grube Samson, de diepste zilvermijn van de Harz en waarschijnlijk de enige vrijwel complete pre-industriële mijn die nog bestaat. De mijn heeft geen electriciteit, stoommachines of dieselmotoren, alle noodzakelijke energie werd geleverd zoals dat in de achttiende eeuw gebeurde: door een reeks watermolens die ondergronds in de mijn zijn aangebracht (NB: alle foto's in deze blog zijn te vergroten door er op te klikken).

De molenraderen (tot 12 meter in doorsnede!) werden gebruikt om overtollig water uit de mijn te pompen, de erts te pletten en de mijnlift te bedienen. Vooral de lift was een staaltje van vernuft; door te schakelen tussen twee tegengesteld draaiende waterraderen kon de liftkooi snel stijgen en dalen. Enorme hoeveelheden water waren nodig voor alle voorzieningen in de mijn. Om dat water daar te krijgen werd vanaf de 16e eeuw het Oberharzer Wasserregal aangelegd, een uitgekiend stelsel van kanalen en stuwmeren. Vanaf de Sankt Andreasberg werd het vervolgens langs zo veel mogelijk waterraderen geleid om de kostbare waterkracht optimaal te kunnen benutten: sommige kanalen dreven wel 27 raderen aan voordat het water in het dal verdween. De luxe van een lift was overigens alleen voorbehouden aan het zilvererts: de mijnwerkers moesten langs smalle laddertjes naar beneden en naar boven klimmen. En dat in een 800 meter diepe mijn! Ter vergelijking: de Burj Khalifa in Dubai, het hoogste gebouw ter wereld, is ongeveer even hoog als de Grube Samson diep was. Stelt u zich voor dat u zes dagen per week de trappen van dat gebouw moet beklimmen en afdalen langs een smal laddertje. In de praktijk waren de mijnwerkers 1,5 uur bezig om beneden te komen. Daarna werkten ze twaalf uur in de hete, vochtige mijn, waarna ze 2,5 uur nodig hadden om weer naar boven te klimmen. Geen wonder dat de mijnwerkers gemiddeld niet ouder werden dan 35 jaar.


De situatie verbeterde pas toen in 1837 in de mijn een fahrkunst werd geïnstalleerd, een voorloper van de lift (uiteraard ook met waterkracht aandrijving). Om beneden en boven te komen, moesten de mijnwerkers steeds heen en weer springen tussen kleine 30 centimeter brede platformpjes waarbij elke misstap dodelijk kon zijn. In onze ogen levensgevaarlijk, maar de mijnwerkers waren er groos mee: het betekende dat ze voortaan in 45 minuten beneden of boven waren. Daarmee bespaarden ze 2,5 uur aan (niet uitbetaalde!) 'reistijd' per dag.Natuurlijk wilde Kaco zelf ook de diepte van de mijn in. Omdat we in Grube Samson maar een klein stukje ondergronds konden, hebben we later vergelijkbare eeuwenoude mijngangen bezocht in een zilvermijn in het Tsjechische Kutna Hora. De helm, lamp en beschermende jas waren geen overbodige luxe: de oude mijngangen waren laag, smal (soms maar 120 bij 40 centimeter) en zeer vochtig. Het enige verschil was de temperatuur: in de 35 meter diepe mijngang in Kutna Hora was die normaal, terwijl de mijnwerkers onderin de 800 meter diepe mijnschacht van Grube Samson moesten werken bij een temperatuur van bijna 60 graden...



De zilvermijnen onder Sankt Andreasberg zijn vrijwel ononderbroken in gebruik geweest van de 15e eeuw tot de sluiting van Grube Samson in 1910. In die vijf eeuwen is er een enorm ondergronds gangenstelstel uitgehakt in de keiharde rots. Een indrukwekkend voorbeeld van wat er technisch mogelijk was met 'simpele' waterkrachttechniek. Vooral in de achttiende eeuw was de Grube Samson beroemd. Niet alleen vanwege de stroom aan zilver die de mijn opleverde, maar ook omdat er allerlei exotische mineralen en metaallegeringen werden gevonden, waaronder het zeldzame Samsoniet. Deze mineralen werden hooggewaardeerd door de verzamelaars en natuuronderzoekers in de tijd van de Verlichting.


De mijnbouw had uiteraard een enorme impact op de bewoners van de streek. Hoe belangrijk de mijnbouw was als basis voor de plaatselijke economie, bleek bijvoorbeeld bij een bezoek aan de kerken in Kutna Hora. Daar waren de nederige mijnwerkers een steeds terugkerend thema in het interieur: als muurschildering, als standbeeld, als kandelaar, als raamversiering. Het is alleen wel jammer dat alleen de eigenaren, de staat en de kerk geprofiteerd lijken te hebben van de welvaart die de mijn bracht...
De waarde van de Grube Samson, werelderfgoed en internationaal gewaardeerd landmark, ging helaas voor het grootste deel voorbij aan de uitbater van het bijbehorende museum. Plichtsgetrouw deed hij de rondleiding, maar zijn ware liefde was overduidelijk de kanarie. Een fraai zingende siervogeltje was blijkbaar voor het eerst in het geel gefokt in de Harz. Helaas voor hem bestond er bij vrijwel niemand enige belangstelling voor zijn overal groot aangekondigde kanariemuseum. Logisch, oude mijnbouw is veel boeiender en minstens even welluidend:





dinsdag 5 juli 2011

Trams met chroom

Wie aan stoomtrammetjes denkt, denkt meestal aan zoiets: een klein stoomlocomotiefje en een houten waggonnetje. De meeste stoomtrambedrijven zijn inderdaad nooit verder gekomen dan dat. Maar er is één uitzondering en Co bezocht de erfenis daarvan afgelopen zaterdag.
De RTM had tot 1966 een stoomtrambedrijf ten zuiden van Rotterdam. Terwijl eind jaren 40 overal in Nederland plattelandstrams werden opgeheven, besloot de RTM een hele andere weg in te slaan en het bedrijf te moderniseren met motortrams. Dit leidde tot een hele serie bijzonder geslaagde trams vol chroom en andere elementen die in de jaren 50 modern waren en die de trams nu een kekke retro-look geven.
Het hele bedrijf werd in deze nieuwe stijl uitgevoerd. De oude stoomtramrijtuigen werden verbouwd en nieuwe locomotieven werden gekocht, zoals dit koddige locomotiefje met toeter hierboven.
Verder sloeg de RTM ook hele nieuwe wegen in. Zo werden in het Zuid-Duitse Ravensburg twee bijna nieuwe elektrische trams gekocht. Omdat de RTM geen bovenleiding had, werd er in eigen werkplaats een wagon gebouwd met een generator die stroom leverde aan beide elektrische trams. Zo onstond het elegante driedelige tramstel 'Sperwer' (alle motortrams kregen vogelnamen). De combinatie was zó succesvol, dat het tramstel na de opheffing van de RTM nog tot eind jaren negentig bij de Zillertalbahn in Oostenrijk heeft gereden.
De meeste motortrams waren overigens niet helemaal nieuw. Het waren zeer grondige verbouwingen van oudere trams die her en der in het land bij opgeheven trambedrijven waren gekocht. Sommige motortrams verraden dat nog omdat ze nooit verbouwd zijn, zoals deze stoere houten locomotief, die in de jaren dertig werd gebouwd door de Maasbuurtspoorweg, een bedrijf dat een zeer lange tramlijn exploiteerde tussen Nijmegen en Venlo. Deze robuuste locomotief trekt deze zomer de trams van het RTM-museum in Ouddorp.
De RTM deed overigens nog meer om klandizie te blijven werken. Zo organiseerde de maatschappij heuze tramvakanties op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. Daarvoor werden een reeks goederenwagons verbouwd tot kampeerwagens die op verzoek overal langs de tramlijn konden worden neergezet. Voor ons gevoel doen ze een beetje Spartaans aan, maar knus was het wel!

dinsdag 28 juni 2011

Op expeditie naar de Toekomst

Midden in het Groningerland ligt de voormalige strokartonfabriek De Toekomst. Gesloten sinds 1968 heeft het veertig jaar lang staan te verkommeren, maar nu wordt er hard gewerkt om het een tweede leven te geven. Beuk was er in een vorig leven al vele malen langsgekomen en wilde altijd al eens een kijkje nemen in het monumentale fabrieksgebouw uit 1908. Reden om samen met Kaco een urban exploring expeditie op poten te zetten. De verwachtingen waren niet al te hoog gespannen, want wat kon er binnen nou te zien zijn na zoveel jaren verwaarlozing? Dat bleek dus heel veel te zijn. Een zaal vol fraai verroeste stoomketels bijvoorbeeld, die 15 jaar in de open lucht goed overleefd hadden. En een heleboel onduidelijk leidingen, kraantjes, trappen, meters en ketels, zoals deze:
Dus wat doe je dan? Dan ga je foto's maken....
Heel veel foto's....
Dankzij de bijzonder vriendelijke en bereidwillige beheerder konden we de volgende dag nog eens terugkomen om in alle rust kiekjes te schieten. Kijk voor nog veel meer hele mooie urban exploring en industrieel erfgoed foto's hieronder in de slideshow:

maandag 6 juni 2011

Er gaat niets boven Groningen...

Twee dagen op 'safari' in het Groningse land met Beuk en Jol. Geweldige gids, mooie muziek, heerlijk weer, goede gesprekken, veel kikkers en een bijzondere streek waar nog heel veel te ontdekken valt. Komende dagen meer over Gronigen. Hier alvast een voorproefje.

(Ger-i, voor jou ook genieten).

dinsdag 24 mei 2011

Het Teylers Museum

Pas geleden bezocht Kaco één van onze favoriete musea, het Teylers Museum in Haarlem. Als je van een museum houdt dat zelf ook een museumstuk is, een onoverzichtelijke pakhuis vol onbekende voorwerpen, nieuwe ontdekkingen en vooral verwondering, dan is het een heerlijke plek. Teylers werd in 1784 geopend als een wetenschappelijk instituut. Zoals dat in die tijd van Verlichting nog kon, moest het alles bieden wat amateuronderzoekers nodig hadden, maar niet zelf konden betalen: wetenschappelijke instrumenten, fossielen, gesteenten, maar ook schilderijen, penningen, grafiek en een mooie bibliotheek. Omdat het museum zijn onderzoeksfunctie geleidelijk verloor, is het in vrijwel originele 18e/19e eeuwse stijl bewaard gebleven, met onder meer een fraaie 18e eeuwse zaal ovale zaal en een mooie 19e eeuwse bibliotheek. Opvallend stuk in die bibliotheek is het 'kastje van Büch', waarin een doorsnede uit de verzamelingen van de overleden schrijver, eilandengek en manisch verzamelaar Boudewijn Büch tentoongesteld is, waaronder het beroemde 'dodo'-botje.Dankzij de riante erfenis van de Haarlemse fabrikant en bankier Pieter Teyler van der Hulst kon het Teylers Museum het beste materiaal van zijn tijd aanschaffen. Zo bezit het de grootste elektrificeermachine ter wereld. In een tijd dat elektriciteit iets nieuws was, gold de machine als een brandpunt van vernieuwende wetenschap, de CERN-deeltjesversneller van zijn tijd. Maar ook andere apparaten, zoals globes, paraboolspiegels voor acoustische experimenten, een apparaat om de beweging van de planeten te demonstreren en Co's favoriet: een 7 foot telescoop gebouwd door William Herschel, de 18e eeuwse astronoom, telescoopbouwer en musicus die in 1781 de planeet Uranus ontdekte (de eerste ontdekking van een planeet sinds de oudheid!). Eén van de vele topstukken uit de bibliotheekcollectie (naast werken van ondermeer Audubon, Diderot, Darwin, Blaeu, Von Humboldt en James Cook) is de complete eerste druk van de Description de l'Égypte, een verzamelwerk in 23(!) delen over het leven, de natuur en de oudheden van Egypte, samengesteld door geleerden die in 1798 met Napoleon mee waren gereisd tijdens zijn Egyptische veldtocht. De 200e verjaardag van Napoleons bezoek aan het Teylers Museum was de reden om een tentoonstelling te organiseren rond dit boekwerk, dat de basis vormde voor de Egyptologie. Wat Co vooral interesseerde was dat de tentoonstelling ook een overzicht gaf van wat er in de 18e eeuw over Egypte bekend was in Nederland. De foto hierboven geeft hier een redelijk compleet overzicht van: wat vage horrorfantasieën, een mummie in een doodkist op pootjes, een been van een andere mummie en enkele afbeeldingen van piramides, die overigens allemaal gebaseerd waren op de enige piramide die Europeanen kenden: de puntige piramide van Cestius in Rome. Bijna niets dus. Geen wonder dat de minutieuze beschrijvingen uit de Description de l'Égypte insloegen als een bom.

Het Teylers Museum is uniek, zeker in Nederland waar de meeste musea niet aan de 'restylingsdwang' hebben kunnen ontkomen. Geen wonder dat het museum in de top 100 van de belangrijkste Nederlandse monumenten staat en zelfs is voorgedragen voor de Werelderfgoedlijst.

NB: alle foto's zijn aanklikbaar voor een vergroting.



zondag 10 april 2011

Amsterdamse school

Het is niet Kaco's hobby om op zaterdag een school te bezoeken, maar voor de Amsterdamse school maken ze graag een uitzondering. Simpele materialen als baksteen en hout, veel oog voor detail en mooie symboliek rond alledaagse dingen, het zijn kenmerken van deze school; een bouwstijl die rond 1915 populair werd in Amsterdam en tot in de jaren dertig grote invloed had in Nederland. Een bouwstijl die bewust tot doel had om de stad te verbeteren door met rationele en tegelijkertijd expressieve ontwerpen schoonheid te brengen, niet alleen in rijke maar vooral ook in armere buurten.Icoon van de Amsterdamse school is Het Schip, een complex arbeiderswoningen in de Spaarndammerbuurt. Het was het vlaggenschip van de socialistische woningbouwvereniging Eigen Haard, die met dit gebouw de arbeiders probeerde te verheffen. De meer gefortuneerde arbeiders overigens, want het complex pakte zó duur uit dat alleen arbeiders met vaste banen (voornamelijk ambtenaren) zich een woning in Het Schip konden veroorloven. In het meesterwerk van architect Michel de Klerk is tegenwoordig een museum voor de Amsterdamse School gevestigd. Kaco was al eens eerder bij Het Schip geweest, maar toen was dit museum gesloten. Op uitnodiging van DePim kregen Kaco daarom zaterdag een rondleiding. Het museum bestaat uit een zeer mooi in stijl uitgevoerd postkantoortje, een modelwoning en een expositieruimte annex theesalon. Details van het postkantoortje staan in de bovenste foto. In de museumwoning viel vooral op hoeveel de socialistische visie op arbeiders overeenkwam met de katholieke en protestante visies: weliswaar geen kruizen en godsverwijzingen, maar net als in christelijke interieurs werden ook de woningen der socialisten volgepropt met vermaningen en oproepen die de arbeiders tot betere mensen moest maken.


Eén van de leuke kanten van de Amsterdamse School is dat het door de gemeente Amsterdam werd geadopteerd als de officiële stijl van de overheid. Nog steeds zijn in de stad overal bruggen te zien in deze expressieve stijl. Ook straatmeubilair werd door de Amsterdamse school architecten ontworpen. Zoals deze openbare politie- en brandmelder, in een tijd voordat iedereen telefoon had de manier om snel hulp in te schakelen.
Op straat is dit straatmeubilair helaas amper meer te zien, maar Het Schip heeft een mooie collectie lantaarnpalen, brieven- en girobussen en hekjes in de museumtuin. En een echte Amsterdamse school afvalbak natuurlijk! De opvallende verschijningen op straat kregen al snel bijnamen. Zo kreeg de lantaarnpaal rechtsonder met zijn helmpje en twee lampen oogjes in de jaren vlak na de Eerste Wereldoorlog de bijnaam 'de onbekende frontsoldaat'.
Wat is een bezoek aan een school zonder vrije tijd na? Uiteraard zochten we na afloop het zonovergoten terrasje van 's lands leukste brouwerij op, om daarna af te sluiten met een gezellig diner bij DePim thuis.

zaterdag 12 maart 2011

Tempelbezoek

Afgelopen week bezochten Kaco de fraaie kerk van het Betuwse dorp Elst. Geen bezoekje met zijn tweeën dit keer, maar een excursie met Co's nieuwe werkkring aan de RUniversiteit. De reden dat oudheidkundigen geïnteresseerd zijn in een laat-middeleeuwse kerk zit 'm in de maquette op bovenstaande foto: onder de kerk liggen de resten van één van de grootste tempels uit de Romeinse tijd die ten noorden van de Alpen is gevonden. Het is een zogeheten Gallo-Romeinse tempel, een tempel die gebouwd is door de inheemse bevolking, maar onder invloed van Romeinse bouwstijlen. De tempel in Elst is vermoedelijk rond 50 na Christus gebouwd als centraal heiligdom voor de Batavieren en rond 100 na Christus vervangen door een grotere tempel. Beide tempels werden ontdekt toen de kerk aan het einde van de Tweede Wereldoorlog grotendeels werd verwoest. De resten zijn bij de herbouw bewaard in een speciale kelder onder de kerkvloer.
Alle witte steen is nieuw, de bruine is oud. En wat is er te zien? Met de klok mee: een professor die over de muur van de oudste tempel spiekt, het hooggeleerde publiek dat het geheel in zich opneemt, de oudste nog op zijn plaats liggende stenen vloer van Nederland (ruim 1950 jaar oud!) en een overzichtje vanuit de eerste tempel naar de muur van de tweede tempel, waar een deel van de zuilen van de latere kerk op gefundeerd zijn (de ronde kolom op de achtergrond).
In een klein kerkmuseumpje zijn opgegraven voorwerpen ten toon gesteld. Met enkele aardige details, zoals de Romeinse dakpan met daarop pootafdrukken van een lynx. Het beest heeft er op gestaan toen de dakpan lag te drogen. Verder zijn een paar heipalen te zien die opmerkelijk goed bewaard zijn gebleven. De meesten van deze palen zitten echter nog onder de grond, omdat een deel van de kerk nog steeds gefundeerd is op deze bijna tweeduizend jaar oude palen. Een bewijs van goed vakmanschap en de conserverende kwaliteiten van de Betuwse klei! De schedels op het derde plaatje zijn de resten van een offer dat waarschijnlijk uitgevoerd is bij de start van de bouw van de tweede tempel. Het is een traditioneel Romeins offer aan Mars, bestaande uit een stier, een ram en een beer (mannetjesvarken). Het is het soort offer dat soms wordt afgebeeld op klassiek-Romeinse reliefs, zoals die hieronder (en ook op het relief dat NIET aanwezig was toen Co het wilde bezoeken in het Louvre). Kaco was het er overigens wel over eens dat het meest aardige in de collectie het bijzet-zuiltje was, praktisch uitgevoerd met winkelwagenwieltjes.
Overigens liggen er niet alleen Gallo-Romeinse ruïnes onder de kerk van Elst. Al in de achtste eeuw werd (deels) op de fundamenten van de laatste tempel een voor die tijd grote zaalkerk gebouwd, die Co erg deed denken aan de laat-klassieke/vroeg-middeleeuwse basilica die hij had gezien in Cimitile, in de buurt van Napels. Deze kerk werd een regionaal bedevaartsoord, omdat Sint Werenfried, een missionaris en gezel van Willibrord hier begraven lag. Ook van deze voorganger van de huidige kerk zijn resten bewaard gebleven, waaronder een duizend jaar oud graf van een meisje. En ook dit gebouw was uiteraard voer voor verwoede discussies. Onvermijdelijk als je met wetenschappers op pad gaat... Het kerkgebouw is overigens na de oorlog met veel liefde en aandacht gerestaureerd, of beter gezegd herbouwd. Alleen aan het relatief nieuwe houtwerk en de stijl van sommig beeldhouwwerk (zoals het detail hierboven) is te zien dat de kerk zoals die er nu staat grotendeels uit de jaren vijftig dateert. De sfeer van een eerbiedwaardige oude kerk is daarbij heel goed bewaard gebleven. Inclusief de lichtinval door de glas-in-loodramen, die heel mooi uitkwam in het entreeportaal. De afbeelding waar het ligt op valt is een reconstructie van de muurschilderingen in de Gallo-Romeinse tempel.