Visioen ...
Visie ...
Waar samen naar toe?
Afkappen en afkammen geeft geen visie maar verwildert, Wilders.
Na (bijna) gedane arbeid is het goed rusten. Indachtig dit gezegde besloot Co om zijn laatste weekend in Engeland te besteden aan een uitje naar zee. Het werd een bezoek aan Portsmouth en het eiland Wight, omdat daar niet alleen een frisse zeewind waait maar ook een heleboel te zien is. Zoals bovenstaande uitkijktoren, sinds een paar jaar hét boegbeeld van het Den Helder van Engeland (nb: alle foto's zijn groter te maken door ze aan te klikken).
De grote attractie in Portsmouth was voor Co echter een bezoek aan de Victory, het enige nog bestaande linieschip ter wereld, 250 jaar oud en officieel nog steeds onderdeel van de Britse vloot! Het schip werd vooral beroemd als vlaggenschip van admiraal Nelson tijdens de Slag bij Trafalgar. Het glimmende plaatje op het dek (rechsboven) geeft aan waar Nelson sneuvelde tijdens die zeeslag die Engeland voor meer dan 100 jaar de heerschappij over de zeeën gaf.
Een bijna even grote attractie was een bezoek aan dat andere unicum in de haven van Portsmouth, de Warrior. De Warrior uit 1860 was de eerste Britse ironclad, een gepantserd slagschip. Het was in veel opzichten een overgangschip; het had zeilen en een kanonnendek dat sterk leek op dat van de Victory, maar ook pantserplaten, stoommachines en een badinrichting voor de nodige hygiëne (iets dat op een traditioneel zeilschip als de Victory ver te zoeken was). De Warrior is het enige Britse slagschip uit de 19e en 20e eeuw dat nog bestaat.
In verband met een aansluitend bezoek aan Wight had Co een hotelletje geboekt. Om onbekende redenen bleek zijn eenpersoonskamer de plaatselijke suite te zijn, zodat Co zeer riant tussen de lakens kon kruipen...
... en de volgende ochtend dan ook zeer opgefrist en ontspannen met de boot richting Wight kon gaan. In het havenstadje Ryde is de aankomst nog zeer traditioneel: de veerboot meert af aan een pier die ver voor de kust de zee in steekt. Vandaar wordt je naar de vaste wal gebracht met een treintje, dat om onduidelijke redenen bestaat uit voormalige rijtuigen van de Londense Tube.
Een rondrit met de bus over het eiland liet zien dat er wel meer traditioneel is op Wight: het is een eiland met een vriendelijk, kleinschalig landschap, oude huisjes en prachtige zeegezichten vooral aan de zuidkant. Het zal er 's zomers wel barstensvol zijn, maar zo in het vroege voorjaar is het een prettige plek om uit te waaien en tot rust te komen.
Natuurlijk kon de beroepsmatige interesse niet helemaal afwezig blijven en dus moest Co een bezoek brengen aan de Romeinse villa in Branding. Deze villa is vooral bekend vanwege de mozaïeken. Vooral het mosaïek van de eetruimte met een verzinnebeelding van de vier seizoenen (linksboven) is zeer fraai. Bijzonder is verder het mozaiek met een man met een hanenkop (rechtsonder), mogelijk een spotprent van de 3e eeuwse keizer Trebonianus Gallus (Gallus betekent haan in het Latijn). Let ook op het slot en sleutel van de villa rechtsboven.
Als afsluiter wandelde Co naar de Needles, de rotspunten aan de uiterste westkant van Wight. Onder invloed van de zee breken de krijtrotsen hier langzaam af, waardoor alleen een rijtje 'rotstanden' is overgebleven. Vlakbij de Needles ligt ook een wat treurig pretparkje, bovenop een klif dat vrijwel alle mogelijk kleuren zand in zich heeft. Het gekleurde zand van deze klif schijnt een grote aantrekkingskracht op creabea's uit heel Engeland te hebben. Boeiender vond Co dat de Britten deze uithoek van het eiland als basis hebben gebruikt voor hun 'geheime' raketexperimenten in de jaren 50 en 60.
Co deed vanavond opnieuw geestverrijkende ervaringen op in Oxford. Deze keer niet van het alcoholische soort, maar van zeer uiteenlopende aard. Op uitnodiging ging Co mee naar de evensong in de kathedraal van Oxford. Een soort kerkdienst begeleid door het Christ Church Cathedral Choir. De jongens en mannen van dit koor (het is een strikt mannelijke aangelegenheid) zijn afkomstig van een 500 jaar geleden speciaal voor het koor opgerichte school, naar het schijnt het oudste van Engeland. Co is geen geregelde kerkganger, zijn laatste kerkbezoek was vorig jaar in Rome, maar deze dienst maakte grote indruk. De ervaring was bijna meditatief, door de grote rust en de zeer hoge kwaliteit van de gezangen.
Na afloop ging Co door naar een lezing over ultra physics, het onderzoek naar uiterst kort durende verschijnselen, gegeven door een wereldvermaard specialist op dat gebied, professor Walmsley. Een spannende en geestverrijkende ontdekkingstocht door een voor Co onbekende wereld van de snelle verschijnselen, zoals de beweging van moleculen en atomen.
Het was niet alleen de hoge kwaliteit die deze ervaringen bijzonder maakt. Het is ook de ambiance waarin het gebeurt. Tijdens de evensong wordt de kathedraal van Oxford verlicht met kaarsen. Dat geeft een warme gloed en een knus gevoel in het fraaie kerkgebouw met het voor oude Engelse kerken zo kenmerkende plafond dat er uit ziet alsof het van kant is.
Dat wordt nog versterkt doordat de kathedraal een beetje buiten de wereld lijkt te staan. Het is namelijk onderdeel van Christ Church College, één van de belangrijkse colleges van Oxford. De stichter van dit college, de Engelse kardinaal en staatsman Wolsey, was zo machtig geworden onder koning Hendrik VIII dat hij het zich kon veroorloven om de kathedraal in te pikken voor zijn bouwplannen.
Het interieur van het college is schitterend en op een vage manier bekend. Het is namelijk gebruikt voor taal van filmopnames, van Brideshead Revisited tot Harry Potter. De vage herkenning roept een wat onwerkelijke en quirky sfeer op die nog versterkt wordt door de stewards in Christ Church, steevast hoogbejaarde kromme mannetjes met een bolhoedje op.
De lezing vond plaats in het Museum of the History of Science, ook al zo'n bijzondere plek. Het is gevestigd in wat volgens de Engelsen het oudste speciaal gebouwde museum ter wereld is, het oude Ashmolean Museum uit 1683. Binnen is het een rariteitenkabinet van wetenschappelijke voorwerpen, zoals oude maankaarten, schitterende messing microscopen en instrumenten, achttiende eeuwse sterrenkijkers en, pronkstuk van de collectie, een ingelijst schoolbord waar Albert Einstein zelf nog op heeft geschreven in 1931. Stuk voor stuk zeer uitzonderlijke voorwerpen die even aan de kant werden geschoven om ruimte te maken voor het praatje van de professor.
De knekelkerk van Kutna Hora is 'versierd' met de resten van duizenden gelovigen die in en rond die bedevaartsoord begraven lagen. Rond 1870 leefde de plaatselijke timmerman zich helemaal uit op de botten en maakte er kroonluchters van, kandelaars, wand- en plafondversieringen en zelfs het familiewapen van de eigenaar van de kapel.
Kutna Hora is bizar, maar op een weinig religieuze manier. De kapel is vooral zo beroemd omdat er vrij gefotografeerd mag worden. Net als Kaco waren de meeste bezoekers daardoor meer bezig met lichtinval en camerastandpunten dan met de contemplatie die de kapel behoort op te roepen. Maar eigenlijk is dat ook niet zo erg. Kutna Hora is een 'gelukkige' knekelkerk: alle botten zijn van bedevaartgangers die hier begraven werden omdat ze hier het dichtste bij het Hemelse Koninkrijk zouden komen. De overvolle begraafplaats werd geleegd in de grafkapel en hier liggen de devote doden als het ware mooi gerangschikt in blijmoedige afwachting van de jongste dag.
Heel anders was ons bezoek aan een andere knekelkerk, de Kaplica Czaszek in het Poolse stadje Kudowa-Zdrój. Hier was de sfeer veel duisterder. Hier opende een dorpspastor rond 1800 de massagraven van een lange reeks Silezische oorlogen en epidemieën om met de inhoud daarvan een memento mori-kapel te vullen. De dorpstimmerman die hier bezig is geweest was duidelijk minder begaafd dan zijn Tsjechische collega. De kapel is vooral heel vol, met doodshoofden die als de mandflessen van een ouderweste pizzeria tegen het plafond zijn geplakt. Een stevige non vertelde de bezoekers in zalvend Pools over de kapel en zwaaide daarbij demonstratief in de lucht met bijzondere botjes, zoals de schedel van een tartaar, een bot van een reus, een been met een kogelgat en meer van dat soort 'fraais'.
Foto's maken was er echter niet bij, daar werd heel streng op gelet. Vandaar de opgestapelde botjes achter een ruit en een verwijzing naar internet voor het interieur.
Knekelkerken zijn vrij zeldzaam, maar in de katholieke streken van Europa kom je vrijwel overal de relikwieënverering tegen. Soms op een tamelijk bizarre manier, zoals deze mannelijke 'sneeuwwitjes' in hun glazen kisten aan beide kanten van het altaar van de zeer fraaie gotisch-barokke kerk van Sedlec. Gekleed in kostbare stoffen en met maskers op, maar wel op zo'n manier dat de botten er door heen staken. De gelovigen moesten natuurlijk wel goed kunnen zien dat de heiligen echt waren...
Wat doe je vervolgens als je zo'n bizar en zwaar-over-de-top monument bezoekt? Nou, foto's maken natuurlijk. Heel veel foto's. En daar heel blij over zijn.
In tegenstelling tot Kaco waren de Russen overigens niet blij met het monument. Ze vonden het Völkerschlachtdenkmal te eenzijdig Duits. De tsaar besloot daarom zelf een Russisch-Orthodoxe kerk te bouwen in Leipzig, waarin er even fijntjes op gewezen wordt dat de Russen de meeste soldaten (en slachtoffers) voor de Volkerenslag hadden geleverd. Tot Kaco's verbazing heeft deze zeer fraaie kerk beide wereldoorlogen en het nazi-regime overleefd en is het nog steeds te bewonderen.
De eerste stop tijdens Kaco's vakantie dit jaar was een bezoek aan Sankt Andreasberg in de Duitse Harz. Niet vanwege zijn 'heilklimatischer' kwaliteiten of de mooie wandelroutes, maar voor een bezoek aan dit tamelijk onopvallende gebouw. Onder de houten kap bevindt zich de Grube Samson, de diepste zilvermijn van de Harz en waarschijnlijk de enige vrijwel complete pre-industriële mijn die nog bestaat. De mijn heeft geen electriciteit, stoommachines of dieselmotoren, alle noodzakelijke energie werd geleverd zoals dat in de achttiende eeuw gebeurde: door een reeks watermolens die ondergronds in de mijn zijn aangebracht (NB: alle foto's in deze blog zijn te vergroten door er op te klikken).
De luxe van een lift was overigens alleen voorbehouden aan het zilvererts: de mijnwerkers moesten langs smalle laddertjes naar beneden en naar boven klimmen. En dat in een 800 meter diepe mijn! Ter vergelijking: de Burj Khalifa in Dubai, het hoogste gebouw ter wereld, is ongeveer even hoog als de Grube Samson diep was. Stelt u zich voor dat u zes dagen per week de trappen van dat gebouw moet beklimmen en afdalen langs een smal laddertje. In de praktijk waren de mijnwerkers 1,5 uur bezig om beneden te komen. Daarna werkten ze twaalf uur in de hete, vochtige mijn, waarna ze 2,5 uur nodig hadden om weer naar boven te klimmen. Geen wonder dat de mijnwerkers gemiddeld niet ouder werden dan 35 jaar.
De situatie verbeterde pas toen in 1837 in de mijn een fahrkunst werd geïnstalleerd, een voorloper van de lift (uiteraard ook met waterkracht aandrijving). Om beneden en boven te komen, moesten de mijnwerkers steeds heen en weer springen tussen kleine 30 centimeter brede platformpjes waarbij elke misstap dodelijk kon zijn. In onze ogen levensgevaarlijk, maar de mijnwerkers waren er groos mee: het betekende dat ze voortaan in 45 minuten beneden of boven waren. Daarmee bespaarden ze 2,5 uur aan (niet uitbetaalde!) 'reistijd' per dag.
Natuurlijk wilde Kaco zelf ook de diepte van de mijn in. Omdat we in Grube Samson maar een klein stukje ondergronds konden, hebben we later vergelijkbare eeuwenoude mijngangen bezocht in een zilvermijn in het Tsjechische Kutna Hora. De helm, lamp en beschermende jas waren geen overbodige luxe: de oude mijngangen waren laag, smal (soms maar 120 bij 40 centimeter) en zeer vochtig. Het enige verschil was de temperatuur: in de 35 meter diepe mijngang in Kutna Hora was die normaal, terwijl de mijnwerkers onderin de 800 meter diepe mijnschacht van Grube Samson moesten werken bij een temperatuur van bijna 60 graden...
De zilvermijnen onder Sankt Andreasberg zijn vrijwel ononderbroken in gebruik geweest van de 15e eeuw tot de sluiting van Grube Samson in 1910. In die vijf eeuwen is er een enorm ondergronds gangenstelstel uitgehakt in de keiharde rots. Een indrukwekkend voorbeeld van wat er technisch mogelijk was met 'simpele' waterkrachttechniek. Vooral in de achttiende eeuw was de Grube Samson beroemd. Niet alleen vanwege de stroom aan zilver die de mijn opleverde, maar ook omdat er allerlei exotische mineralen en metaallegeringen werden gevonden, waaronder het zeldzame Samsoniet. Deze mineralen werden hooggewaardeerd door de verzamelaars en natuuronderzoekers in de tijd van de Verlichting.
De mijnbouw had uiteraard een enorme impact op de bewoners van de streek. Hoe belangrijk de mijnbouw was als basis voor de plaatselijke economie, bleek bijvoorbeeld bij een bezoek aan de kerken in Kutna Hora. Daar waren de nederige mijnwerkers een steeds terugkerend thema in het interieur: als muurschildering, als standbeeld, als kandelaar, als raamversiering. Het is alleen wel jammer dat alleen de eigenaren, de staat en de kerk geprofiteerd lijken te hebben van de welvaart die de mijn bracht...
De waarde van de Grube Samson, werelderfgoed en internationaal gewaardeerd landmark, ging helaas voor het grootste deel voorbij aan de uitbater van het bijbehorende museum. Plichtsgetrouw deed hij de rondleiding, maar zijn ware liefde was overduidelijk de kanarie. Een fraai zingende siervogeltje was blijkbaar voor het eerst in het geel gefokt in de Harz. Helaas voor hem bestond er bij vrijwel niemand enige belangstelling voor zijn overal groot aangekondigde kanariemuseum. Logisch, oude mijnbouw is veel boeiender en minstens even welluidend:
Wie aan stoomtrammetjes denkt, denkt meestal aan zoiets: een klein stoomlocomotiefje en een houten waggonnetje. De meeste stoomtrambedrijven zijn inderdaad nooit verder gekomen dan dat. Maar er is één uitzondering en Co bezocht de erfenis daarvan afgelopen zaterdag.
De RTM had tot 1966 een stoomtrambedrijf ten zuiden van Rotterdam. Terwijl eind jaren 40 overal in Nederland plattelandstrams werden opgeheven, besloot de RTM een hele andere weg in te slaan en het bedrijf te moderniseren met motortrams. Dit leidde tot een hele serie bijzonder geslaagde trams vol chroom en andere elementen die in de jaren 50 modern waren en die de trams nu een kekke retro-look geven.
Het hele bedrijf werd in deze nieuwe stijl uitgevoerd. De oude stoomtramrijtuigen werden verbouwd en nieuwe locomotieven werden gekocht, zoals dit koddige locomotiefje met toeter hierboven.
Verder sloeg de RTM ook hele nieuwe wegen in. Zo werden in het Zuid-Duitse Ravensburg twee bijna nieuwe elektrische trams gekocht. Omdat de RTM geen bovenleiding had, werd er in eigen werkplaats een wagon gebouwd met een generator die stroom leverde aan beide elektrische trams. Zo onstond het elegante driedelige tramstel 'Sperwer' (alle motortrams kregen vogelnamen). De combinatie was zó succesvol, dat het tramstel na de opheffing van de RTM nog tot eind jaren negentig bij de Zillertalbahn in Oostenrijk heeft gereden.
De meeste motortrams waren overigens niet helemaal nieuw. Het waren zeer grondige verbouwingen van oudere trams die her en der in het land bij opgeheven trambedrijven waren gekocht. Sommige motortrams verraden dat nog omdat ze nooit verbouwd zijn, zoals deze stoere houten locomotief, die in de jaren dertig werd gebouwd door de Maasbuurtspoorweg, een bedrijf dat een zeer lange tramlijn exploiteerde tussen Nijmegen en Venlo. Deze robuuste locomotief trekt deze zomer de trams van het RTM-museum in Ouddorp.
De RTM deed overigens nog meer om klandizie te blijven werken. Zo organiseerde de maatschappij heuze tramvakanties op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. Daarvoor werden een reeks goederenwagons verbouwd tot kampeerwagens die op verzoek overal langs de tramlijn konden worden neergezet. Voor ons gevoel doen ze een beetje Spartaans aan, maar knus was het wel!